‘t Vingertje en Ander Ongemak in Tibet I

  (Reisverhaal).      Het is koud in Nederland en dat ben ik niet meer gewend. De afgelopen jaren was ik in deze tijd in warmere landen. De kou doet me afgelopen dagen wel vaak denken aan een wel heel koud stukkie fietsen, op het dak van de wereld. Voor alle koukleumen –waaronder ikzelf- en mensen die graag een beetje griezelen dit reisverhaal. Ook voor de mooie plaatjes en een zeer fraaie video.


 
 De gefietste route in Xinjiang en Tibet  17 mei – eind juli 2007. Het zijn redelijk grote afstanden want Kashkar -heel bekend van de zijderoute-  naar Markham is zo’n 4000 km. Het is de kwaliteit van de weg en de hoogte -ruim boven de Mont Blanc fietsen- die het grootste obstakel vormen.

Tibetaanse geneeskunde
        Ik vertrek uit Ali, ook Shiquanhe of Senge Khabab genoemd, in het uiterste westen van Tibet. Het gaat in oostelijke richting met zeer forse tegenwind. Nu weet ik natuurlijk dat je nooit moet vertrekken met tegenwind, maar om mij voor straf dan de volgende dag van het talud af te laten donderen, met alle consequenties van dien, gaat mij wat te ver.
Eerst in Ali nog naar een dokter geweest om toch even te laten kijken naar mijn tenen, die twee weken ervoor (bijna) bevroren waren geweest en nu nog steeds grotendeels gevoelloos zijn.

Schoenen en sokken uit. De dokter kijkt vervolgens vanaf enkele meters afstand naar mijn voeten. Als slot van de diagnose pakt hij mijn arm en meet mijn polsslag. Eerst de rechterpols, dan de linker. Einde onderzoek. Ik krijg medicijnen mee: een aantal keutels voor ‘s ochtends, volgens mij van konijnen, en een paar die ik ‘s middags moet innemen. Deze herken ik als de uitwerpselen van de Himalayamarmot. Dan heb ik ook nog een zakje dat niet te determineren is, maar ik denk niet dat het hoopjes van een yak zijn. Dit is voor ‘s avonds.
  
  
       
Een 700 kilometer na Kashkar bereik ik het plateau van Tibet in de Xinjang provicie.
 
   

Aksai Chin ten westen van Tibet in de provincie Xinjiang. Dit stuk behoort tot India vindt India. In 1962 kwamen zij erachter dat China een weg door het gebied had aangelegd. Om een idee te geven hoe afgelegen het gebied is, India ontdekte pas dat China er zat toen de weg, van enkele honderden kilometers lengte, al klaar was. Ik fietste hier eind mei 2007 en het was koud, erg koud en dat vonden mijn tenen dus ook. De weg, erg veel stelt het niet voor hoor, ben ik hier even kwijt door de sneeuw. Hij moet daar ergens onderaan de bergen naar rechts lopen. De kaart die ik heb stelt echter heel weinig voor en het is soms op het gevoel fietsen.  Komt de foto je bekend voor?

 

Een witte illegaal

        Een prettig gevoel geeft het dat ik nu legaal in Tibet fiets. In Ali heb ik keurig voor omgerekend vijf euro een vergunning gekregen om in een maand naar de hoofdstad Lhasa te kunnen fietsen. Wel moest ik dertig euro boete betalen omdat ik illegaal Tibet was binnengekomen. Het merkwaardige is dat je geen vergunning kan krijgen om Tibet legaal vanuit het westen binnen te fietsen; je wordt gedoogd en mag alle controleposten ongehinderd passeren, maar je krijgt dus wel een boete als je er uiteindelijk bent.

 

De tegenwind is onaangenaam omdat ik ook nog moet klimmen. Op asfalt, dat wel, maar het is op 4500-5000 meter hoogte knap hijgen. ‘s Avonds zet ik mijn tentje op en lees in ik mijn gids een beschrijving van Tibetaanse ‘geneeskunde’ door middel van polsdiagnose. De arts kan 360 subtiele energiekanalen onderscheiden en weet daardoor welk medicijn voor te schrijven. Zo, dat weten we ook weer. De keutels vliegen meteen de tent uit.

De volgende dag geen asfalt meer (maar wel wind mee) en het zoeken naar een stukje berijdbare weg begint weer. Bekend gezoek voor mij, want ook het traject van 1000 kilometer ten westen van Ali was vaak vreselijk. Soms is er op de weg nog een strookje dat mij (en Ien, de fiets) niet helemaal uit elkaar rammelt en soms vind ik iets fatsoenlijks naast de weg. 

 

        -Op dit soort wegen (deze in het uiterste westen van Tibet) haal ik nog niet eens een gemiddelde van 10 kilometer per uur. Vaak niet meer dan 7 of 8 kilometer in een uur ploeteren op een vlakke weg! Ik probeer er maar niet aan te denken dat ik nog 1500 kilometer onverhard (en dan nog 500 kilometer asfalt) tot Lhasa voor de boeg heb. Dit zijn van die momenten dat je je blik op oneindig moet zetten en je verstand op nul.
Helemaal erg is het natuurlijk als je ook nog moet klimmen. Een paar honderd kilometer voor Ali kreeg ik een merkwaardig probleem: het voorste stuk van mijn tong deed pijn. Ik kon me niet herinneren dat ik iets te heets had gegeten of gedronken en kwam er pas achter wat er aan de hand was toen ik ‘s ochtends vroeg weer aan een klim begon en de pijn nog duidelijker voelde. Mijn tong was verbrand door het zonlicht! Voortaan proberen het hoofd wat gebogen te houden en de tong niet meer over de voortas te draperen.-

 

AUW!

        Op een ongelukkig moment zie ik een redelijk stuk bezijden de weg terwijl ik rijd op een ongekend gemeen wasbord dat poogt mijn mannelijkheid naar Boeddha te helpen. Het talud is wat steil maar vooruit, dat moet fietsend kunnen. Sinds Kashkar, een stad in het uiterste zuidwesten van China net boven Afghanistan op de oude zijderoute, heb ik wel vaker dingen verkeerd ingeschat: de hoeveelheid mee te nemen eten, afstanden en de vorstbestendigheid van mijn tenen. De vele deskundigen onder mijn geadresseerden nemen natuurlijk zonder meer aan dat Alzheimer, Korsakoff etc. nu eindelijk hebben toegeslagen, maar ik houd het op het effect van de hoogte.

 

        In ieder geval schat ik de steilte van het talud verkeerd in en het wipje onderaan ten onrechte als goed te doen. Terwijl ik afdaal zie ik dat ik het wipje zeker niet kan nemen. Een botsing dreigt. Ik probeer te remmen, maar het enige effect is dat mijn voorwiel schuin komt te staan en ik de achterkant van de fiets omhoog voel gaan. Er is geen houden meer aan en ik rol over de kop met de fiets van vijftig kilo over me heen. Ik lig plat op mijn gezicht en meteen voel ik pijn die ik onmiddellijk herken als die van schaafwonden. Maar aan mijn rechterhand voel ik een pijn die ik niet herken. Als ik mijn hand onder het zand en gruis vandaan haal, zie ik vol afschuw een middelvinger die bijna recht omhoog wijst terwijl de hand horizontaal staat. Voor iemand die zeer veel gebruikmaakt van de weg is het een haast natuurlijke houding, de vuist gebald en de middelvinger recht omhoog, maar deze automatische constructie kan toch niet de bedoeling zijn. Vlak bij het scharnier naar het middelste vingerkootje, is het onderste kootje (dichtst bij de hand) gebroken.

’In the middle of nowhere’ natuurlijk. Op zo’n moment flitsen allerlei gedachten door mijn hoofd: ik vervloek mijzelf om mijn onvoorzichtigheid, grote angst dat ik niet verder kan fietsen en mijn tocht moet afbreken, en koortsachtig proberen een oplossing te vinden.

 

Dit ziet er dreigend uit en ik hoop maar dat ze niet hard kunnen rennen, want ik kan op dit wegdek, met mijn bagage en op deze hoogte, zeker niet hard fietsen.

 

 

Deel 2 hier

  

Dit is een video van iemand die ongeveer een anderhalve maand na mij, vrijwel dezelfde route heeft gefietst. Het is een prachtige filmpje dat mooi weergeeft wat fietsen hier betekent en natuurlijk het betoverde landschap.

  

 

 

2 thoughts on “‘t Vingertje en Ander Ongemak in Tibet I

Leave a Reply