Uitkeringen sinds 1970

Hoe groot is de druk van de uitkering op de (beroeps)bevolking? Hoe hebben de uitkeringen zich ontwikkeld? Toch misschien voor velen verrassende uitkomsten in een onderzoek naar de ontwikkeling van het aantal uitkeringen sinds 1970. Daarnaast enkele anekdotes van mijn kant waarvan je misschien zal denken hoe was het mogelijk.
Oorspronkelijk zou dit stuk deel uit maken van deel II van mijn drieluik – deel I hier– over uitkeringen aan allochtonen en autochtonen, maar vanwege de lengte heb ik er maar een losstaand artikel van gemaakt.

Uitkeringen en beroepsbevolking.

In veel reacties op internetfora merk je dat men niet goed weet hoe het staat met het aantal uitkeringen. Door bepaalde politieke partijen en media wordt vaak verkondigd dat het met het aantal uitkeringen helemaal de pan uit rijst. In figuur 1 laat ik zien hoe het aantal uitkeringen aan mensen tussen de 15 en 65 jaar zich sinds 1970 hebben ontwikkeld.  De grafiek geeft het percentage uitkeringen van de beroepsbevolking (nationale definitie). Een percentage van bevolking in een jaar geeft over zo’n lange periode een wat beter beeld dan alleen de aantallen uitkeringen omdat de (beroeps)bevolking is gestegen. Zo was in 1970 de beroepsbevolking 4,8 miljoen groot en in 2013 7,9 miljoen, een stijging met tweederde. Ik heb echter wel een grafiek  gemaakt met de aantallen.

De meeste percentages die ik hier in tekst noem heb ik ook in de grafiek gezet.

Het is een dubbele grafiek. De afzonderlijke uitkeringen en het werkloosheidspercentage hebben een schaal die staat aan de linkerkant en het totaal (rood) rechts. De schaal van de rechteras is precies twee keer zo groot.

f1

De belangrijkste uitkeringen zijn de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Tussen 1970 en begin jaren negentig verdubbelde die van 11% naar 20% van de beroepsbevolking. Dat kwam niet doordat Nederland ineens zoveel meer zwak ziek en misselijk was geworden, maar door dumping van werknemers in de WAO waarvan men vond dat ze daar toch maar weinig meer aan hadden. Dat werd mogelijk gemaakt doordat de WAO rekening kon houden met de kans op werk van de werknemer. Dat artikel is uit de WAO gehaald begin jaren negentig.

Er zijn meerdere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De WAO is de bekendste en is zelfs een soortnaam geworden. De WAO is echter opgeheven en bestaat alleen nog voor oude gevallen. Daarvoor is in de plaats gekomen de WIA. Naast deze werknemersverzekeringen is er ook de volksverzekering voor jonggehandicapten de Wajong.  Ook is er nog WAZ, maar deze regeling voor zelfstandigen is 10 jaar geleden gesloten voor nieuwe gevallen.

Door allerlei maatregelen in de WAO is het aantal arbeidsongeschikten gedaald naar 12% en vormt daarmee de helft van het totaal aantal uitkeringen dat 23% van de beroepsbevolking is. Die 23% is niet het hoogste percentage. Begin jaren negentig was de uitkeringsdruk zelfs 38%.

Tot begin de jaren tachtig hoefde je maar zes weken gewerkt te hebben om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering van een half jaar. Daarna kon je bij de Sociale Dienst een WWV-uitkering krijgen van twee jaar. Veel voorwaarden waren bij de WWV hetzelfde als bij de WW, maar een van de uitzonderingen was dat gehuwde vrouwen geen recht op WWV hadden tenzij zij konden bewijzen kostwinner te zijn.  Mannen hoefden dat niet. Inderdaad dat was nog een stukje regelgeving slechts 30 jaar geleden.  Omdat de WW en WWV in elkaars verlengde lagen heb ik die samengevoegd. De WWV is opgeheven halverwege de jaren tachtig.

De knik in de WW(V) kwam begin jaren tachtig  doordat de toegangseisen sterk werden verscherpt en door een daling van de werkloosheid. De bijstand steeg door naar 11% van de beroepsbevolking. Veel jongeren kwamen begin jaren tachtig in de bijstand, maar al ras kwamen er met name voor jongeren strengere toegangseisen. De bijstand volgt maar in beperkte mate de golfbewegingen in de economie. Ook in de huidige crisis is dat zo.

De werkloosheid (nationale definitie) was in 1983 met bijna 11%, het hoogste. Sinds 2008 steeg het van 3,8% naar 8,3%, oftewel 4,5 procentpunt. De WW en bijstand samen stegen met 4,6 procentpunt van  5,9% naar 10,5%. Net zoveel stijging dus. Dat lijkt logisch, maar vaak  wordt de oorzaak van de stijging van het aantal uitkeringen exclusief bij bepaalde groepen gelegd. De relatie, zoals we heel goed in de grafiek kunnen zien, ligt bij de stijging en krimp van de werkloosheid.

Tot slot de ANW, de Algemene nabestaandenwet. Deze wet geeft uitkering aan weduwen (m/v) met kinderen onder de 18 jaar. Ook wezen kunnen een uitkering krijgen.

De voorloper van de ANW was de AWW. Alleen weduwen konden daarin een uitkering krijgen. Grappig was dat een weduwe onder de 40 zonder kinderen maximaal een jaar uitkering kon krijgen. Bij overlijden van de echtgenoot als ze al 40 was, ook zonder kinderen, tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Het idee daarachter was dat zij tot haar veertigste nog wel een nieuwe man kon vinden maar dat dat niet meer het geval was zodra zij veertig was geworden. Daarom moest zij tot haar 65ste een uitkering krijgen. Ik verzin het niet. Uiteraard kwamen mannen niet in aanmerking voor AWW.

In 1970 bedroeg het aantal AWW’ers  3,2% van de beroepsbevolking en dat is inmiddels gedaald naar 0,7%.

De EU
Het Hof van Justitie van de EU moest er aan te pas komen om vrouwen te vrijwaren van de kostwinnerstoets in de WWV en mannen, net als vrouwen, recht te geven op AWW.  Die uitspraak kwam er een EU-verdrag is die o.a. gelijke behandeling van mannen en vrouwen voorschrijft. Daarmee maakte het Hof een einde aan de lange traditie van ongelijke behandeling van mannen en vrouwen in de uitkeringen. Ik herinner me nog dat het Ministerie van Sociale Zaken gilde dat het gelijkheidsbeginsel in de WWV miljarden zou gaan kosten. Niet dus.

Conclusie
De uitkeringsdruk van het aantal uitkeringen verstrekt aan de bevolking van 15 tot 65 jaar steeg van 18% in 1970 naar 38% van de beroepsbevolking in slechts 14 jaar tijd.  Vervolgens heeft het een kwart eeuw nodig gehad om in 2008 met 19% weer op het niveau van begin jaren zeventig te komen. Sindsdien steeg de druk naar 22,7% in 2013, een stijging met 3,5 procentpunt. De werkloosheid steeg in diezelfde periode met 4,5 procentpunt naar 8,3%. Het totaal aantal uitkeringen is dus bijna een derde minder gestegen dan de werkloosheid. Het is opmerkelijk dat de uitkeringsdruk in 2013 kleiner was dan die in 2005 en de tientallen jaren daarvoor. Ik moet zeggen dat ik dat ook niet verwacht had toen ik begon aan deze klus.
Er is vooral sprake van een daling van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van 20%  twintig jaar geleden naar 12% nu en van de bijstandsuitkeringen van 11% halverwege de jaren tachtig naar 5% nu.

De afgelopen 40 jaar overziend kan de conclusie niet anders luiden dan waar maakt men zich nu druk om. Gewoon zorgen dat er een half miljoen banen bijkomen dan volgen de uitkeringen ook. Het lijkt er nu op dat de werkloosheid wordt gebruikt als excuus om te hakken in de uitkeringen.
Het instrument dat daar voor wordt gebruikt is het opzetten door bepaalde media tegen sommige groepen mensen in de samenleving.

Bronnen
Tijdreeksen sociale zekerheid
Beroepsbevolking; vanaf 1800
Zie ook:
Ook minister Kamp goochelt met de cijfers
De Kromme redeneringen van De Krom

Uitkeringen: autochtonen hebben er meer.

PS Ik wil ook een stuk maken met bedragen. De tijdreeks van het CBS is echter niet compleet. Wie wil de ontbrekende gegevens opzoeken om samen tot een mooi artikel komen?

 

Leave a Reply